2 Samuel
hoofdstukken 13:25-31
BasisBijbel
25Maar de koning zei tegen Absalom: "Nee zoon, we zullen niet allemaal komen, want dat is veel te lastig voor je." Absalom drong er bij de koning op aan, maar de koning wilde niet. Wel gaf hij hem zijn zegen.
26Toen zei Absalom: "Als u dan niet komt, laat dan tenminste mijn broer Amnon met ons meegaan." De koning antwoordde: "Waarom zou hij met jullie meegaan?"
27Maar Absalom drong er bij hem op aan. Toen liet hij Amnon en al zijn andere zonen met hem meegaan.
28Absalom gaf zijn dienaren het bevel: "Let op: als Amnon goed dronken is, geef ik jullie een teken. Dood hem dan. Wees niet bang, want ik heb het jullie bevolen. [ Ik ben verantwoordelijk. ] Wees vastberaden en dapper!"
29Ze deden wat Absalom had bevolen. De andere zonen van de koning vluchtten op hun paarden.
30Ze waren nog onderweg, toen David hoorde vertellen dat Absalom alle zonen van de koning had gedood. Er werd gezegd dat er geen één in leven was gebleven.
31De koning stond op, scheurde zijn kleren [ als teken van verdriet ] en ging op de grond liggen. Al zijn dienaren stonden met gescheurde kleren bij hem.