2 Samuel
hoofdstukken 9:2-8
BasisBijbel
2Er was bij de familie van Saul een dienaar in dienst geweest die Ziba heette. Hij werd bij David geroepen en de koning vroeg hem: "Ben jij Ziba?" Hij antwoordde: "Ja, heer."
3Toen vroeg de koning hem: "Is er soms nog iemand overgebleven van de familie van Saul? Dan wil ik goed voor hem zijn." Ziba antwoordde: "Er is nog een zoon van Jonatan. Hij heeft kreupele voeten."
4De koning vroeg: "Waar woont hij?" Ziba antwoordde de koning: "Hij woont bij Machir, de zoon van Ammiël in Lodebar."
5Toen liet koning David hem bij Machir ophalen.
6Zo kwam Mefiboset bij David. Hij liet zich voor David op de grond vallen en boog zich diep. David zei: "Mefiboset!" Hij antwoordde: "Ja, heer."
7David zei tegen hem: "Wees niet bang, want ik zal goed voor je zijn vanwege [ mijn vriendschap met ] je vader Jonatan. Ik zal je alle akkers van je grootvader Saul teruggeven. En je mag steeds bij mij aan tafel eten."
8Mefiboset boog en zei: "Ik verdien het niet dat u zich bezighoudt met een dode hond als ik!"