Amos
hoofdstukken 7:2-8
BasisBijbel
2Toen de sprinkhanen het laatste groen van het land opvraten, riep ik tot de Heer: "Heer, vergeef het volk alstublieft! Hoe kan Israël anders blijven bestaan? Het is maar zo klein!"
3Toen veranderde de Heer zijn plannen en zei: "Goed. Ik zal het niet doen."
4Toen liet de Heer mij weer iets zien alsof ik droomde. Ik zag dat de Heer een grote brand liet komen om het volk te straffen. Door de hitte van het vuur verdampte al het water in de diepte. Het vuur verbrandde een groot deel van het land.
5Toen riep ik: "Heer, houd alstublieft op! Hoe kan Israël anders blijven bestaan? Het is maar zo klein!"
6Toen veranderde de Heer zijn plannen en zei: "Goed. Ook dit zal Ik niet doen."
7Toen liet de Heer mij weer iets zien alsof ik droomde. De Heer stond op een muur die loodrecht overeind stond. Hij had een paslood in zijn hand.
8Toen vroeg de Heer mij: "Amos, wat zie je?" Ik antwoordde: "Een paslood." Toen zei de Heer: "Ik ga met mijn paslood Israël opmeten. [ Alles wat niet goed is, maar slecht, zal Ik weghalen. ] Ik zal niet langer medelijden met hen hebben.