Genesis
hoofdstukken 1:10-16
BasisBijbel
10De droge grond noemde Hij 'aarde' en het samengestroomde water noemde Hij 'zee.' En God zag dat het goed was.
11En God zei: "Ik wil dat er uit de aarde gras en allerlei planten en bomen ontstaan. Planten die zaden maken en bomen waar vruchten aan groeien. Alle soorten bomen moeten hun eigen soort vruchten krijgen met zaad er in." Wat Hij zei, gebeurde.
12Er begon gras op de aarde te groeien en er ontstonden allerlei planten. Elke soort had zijn eigen soort zaad. En de bomen hadden allemaal hun eigen soort vruchten met zaad er in.
13En God zag dat het goed was. Toen werd het avond en weer ochtend: de derde dag was voorbij.
14En God zei: "Ik wil dat er lichten aan de hemel komen. Die zullen verschil maken tussen de dag en de nacht. En ze zullen aanwijzingen zijn voor de mensen. Ook zullen ze zorgen voor seizoenen, dagen en jaren.
15De lichten moeten aan de hemel staan en licht geven op de aarde." Wat Hij zei, gebeurde.
16God maakte de twee grote lichten. Het grote licht moest overdag schijnen, het kleine licht 's nachts. Ook maakte Hij de sterren.