Genesis
hoofdstukken 19:22-28
BasisBijbel
22Schiet op, vlucht daar maar heen. Want ik zal niets kunnen doen voordat jullie daar zijn aangekomen." Daarom noemen de mensen die stad [ sindsdien ] Zoar [ (= 'klein') ].
23De zon ging net op toen Lot in Zoar aankwam.
24Toen liet de Heer zwavel en vuur uit de hemel op Sodom en Gomorra neerregenen.
25En Hij keerde die steden om, met het hele gebied er omheen, alle bewoners van de twee steden en alle akkers.
26Maar Lots vrouw, die achter Lot liep, keek om en veranderde in een zoutpilaar.
27De volgende ochtend ging Abraham al vroeg naar de plaats waar hij met de Heer had gesproken.
28Hij keek in de richting van de vlakte waar Sodom en Gomorra lagen. Hij zag dat er rook van de aarde opsteeg, als de rook van een oven.