Genesis
hoofdstukken 24:5-11
BasisBijbel
5Toen zei de knecht tegen hem: "Misschien wil die vrouw niet met mij meegaan naar dit land. Moet ik dan uw zoon terugbrengen naar het land waar u vandaan gekomen bent?"
6Maar Abraham zei tegen hem: "Nee, je mag in geen geval mijn zoon daarheen terugbrengen.
7De Heer, de God van de hemel, heeft mij weggehaald uit het huis van mijn vader en uit het land van mijn familie. Hij heeft mij toen gezworen: 'Dit land zal Ik aan jouw familie geven.' Hij zal zijn Engel met je meesturen. Hij zal ervoor zorgen dat je vandaar een vrouw voor mijn zoon zal meenemen.
8Maar als ze niet met je mee wil gaan, hoef je je niet meer te houden aan de eed die je mij hebt gezworen. Maar beloof me dat je mijn zoon niet daarheen zal terugbrengen."
9De knecht zwoer dat hij zou doen wat Abraham gezegd had.
10Toen ging hij met tien kamelen van zijn heer op reis. Hij nam allerlei kostbare geschenken van zijn heer mee. Zo reisde hij naar Mesopotamië, naar de stad waar [ Abrahams broer ] Nahor woonde.
11Toen hij daar aankwam, liet hij de kamelen neerknielen bij een waterput buiten de stad. Het was bijna avond. Op die tijd komen de vrouwen van de stad bij de put water halen.