Genesis
hoofdstukken 26:11-17
BasisBijbel
11Toen beval Abimelech zijn volk: "Wie deze man of zijn vrouw aanraakt, zal worden gedood."
12En Izaäk zaaide in dat land. Dat jaar oogstte hij 100 keer zoveel als hij gezaaid had, want de Heer was goed voor hem.
13Hij werd rijker en rijker, totdat hij heel erg rijk was geworden.
14Hij had zoveel schapen, geiten en koeien, en zoveel slaven, dat de Filistijnen jaloers op hem werden.
15Ze gooiden de waterputten dicht die vroeger door de knechten van Abraham waren gegraven.
16En Abimelech zei tegen Izaäk: "Ga hier weg, want je bent veel machtiger geworden dan wij."
17Toen vertrok Izaäk daar met iedereen die bij hem hoorde. En hij ging in het dal van Gerar wonen.