Genesis
hoofdstukken 26:16-22
BasisBijbel
16En Abimelech zei tegen Izaäk: "Ga hier weg, want je bent veel machtiger geworden dan wij."
17Toen vertrok Izaäk daar met iedereen die bij hem hoorde. En hij ging in het dal van Gerar wonen.
18Daar groef hij de waterputten weer op die in de tijd van zijn vader Abraham waren gegraven en die na Abrahams dood door de Filistijnen waren dichtgegooid. Hij gaf die putten weer de namen die zijn vader eraan had gegeven.
19Daarna groeven de knechten van Izaäk in het dal en vonden daar een bron met stromend water.
20Maar de herders van Gerar maakten ruzie met de herders van Izaäk en zeiden: "Dit water is van ons." Daarom noemde Izaäk die put Esek [ (= 'ruzie') ], omdat ze met hem over die put hadden geruzied.
21Toen ze een andere waterput groeven, ontstond daar óók ruzie over. Daarom noemde hij die put Sitna [ (= 'vijandschap') ].
22Hij vertrok daar weer en groef een andere put. Daarover ontstond geen ruzie. Daarom noemde hij die put Rehobot [ (= 'ruimte') ]. Want hij zei: "Nu heeft de Heer ons ruimte gegeven. Nu kunnen we met al onze mensen en al ons vee in dit land wonen."