Genesis
hoofdstukken 29:1-5
BasisBijbel
1Jakob reisde naar het land van de stammen in het oosten.
2Op een dag zag hij een waterput in het veld, afgedekt met een heel grote steen. Er waren drie kudden schapen bij elkaar gebracht. Want de herders brachten altijd hun kudden naar die put om ze te drinken te geven.
3Als alle herders hun kudden bij de put hadden gebracht, schoven ze samen de steen van de put af. Dan konden ze pas hun vee te drinken geven. Daarna legden ze de steen weer op de opening terug.
4Jakob vroeg aan de herders: "Waar komen jullie vandaan?" Ze zeiden: "Uit Haran."
5Toen vroeg hij: "Kennen jullie dan Laban ook, de [ klein ]zoon van Nahor?"