Genesis
hoofdstukken 32:24-30
BasisBijbel
24Jakob was als enige nog aan de andere kant van de beek. En Iemand worstelde met hem tot het dag begon te worden.
25Toen Hij merkte dat Hij Jakob niet kon overwinnen, sloeg Hij hem op zijn heupgewricht. Daardoor schoot het gewricht uit de kom tijdens de worsteling.
26Toen zei Hij: "Laat Me gaan, want het wordt dag." Maar Jakob zei: "Ik laat U pas los als U mij zegent."
27De Man vroeg: "Hoe heet je?" Hij antwoordde: "Jakob."
28Toen zei de Man: "Je zal niet langer Jakob [ (= 'verdringer') ] heten, maar Israël [ (= 'worstelaar met God') ]. Want je hebt op een goede manier met God en met mensen geworsteld en je hebt gewonnen."
29Toen vroeg Jakob: "Zeg mij alstublieft hoe U heet!" Maar de Man antwoordde: "Waarom vraag je hoe Ik heet?" En Hij zegende hem daar.
30En Jakob noemde die plek Pniël [ (= 'gezicht van God') ]. "Want," zei hij, "ik heb oog in oog met God gestaan en toch ben ik in leven gebleven."