Genesis
hoofdstukken 32:28-32
BasisBijbel
28Toen zei de Man: "Je zal niet langer Jakob [ (= 'verdringer') ] heten, maar Israël [ (= 'worstelaar met God') ]. Want je hebt op een goede manier met God en met mensen geworsteld en je hebt gewonnen."
29Toen vroeg Jakob: "Zeg mij alstublieft hoe U heet!" Maar de Man antwoordde: "Waarom vraag je hoe Ik heet?" En Hij zegende hem daar.
30En Jakob noemde die plek Pniël [ (= 'gezicht van God') ]. "Want," zei hij, "ik heb oog in oog met God gestaan en toch ben ik in leven gebleven."
31De zon kwam boven hem op toen hij bij Pniël overstak. Hij was kreupel aan één heup.
32En tot op vandaag eten de Israëlieten de spier niet die op het heupgewricht ligt, omdat Hij Jakob op het heupgewricht, op de heupspier, heeft geslagen.