Genesis
hoofdstukken 44:13-19
BasisBijbel
13De broers scheurden hun kleren [ als teken van verdriet ]. Ze laadden hun zakken weer op de ezels en gingen terug naar de stad.
14Zo kwamen Juda en zijn broers terug in het huis van Jozef. Jozef was daar nog. Ze lieten zich voor hem op de grond vallen.
15Jozef zei: "Waarom hebben jullie dit gedaan? Wisten jullie dan niet dat een man als ik dat zéker zou ontdekken?"
16Juda antwoordde: "Wat moeten we tegen u zeggen? Hoe kunnen we zeggen dat we onschuldig zijn? God bewijst dat we schuldig zijn. We zijn uw slaven, heer. Wij en de man bij wie de beker gevonden is."
17Maar Jozef zei: "Nee, alleen de man bij wie de beker is gevonden, zal mijn slaaf worden. De anderen kunnen in vrede naar hun vader gaan."
18Toen stapte Juda naar voren. Hij zei: "Neem mij niet kwalijk, heer. U bent net zo belangrijk als de Farao, maar word alstublieft niet boos als ik wat tegen u zeg.
19U heeft ons gevraagd: 'Hebben jullie nog een vader of een broer?'