Genesis
hoofdstukken 44:7-13
BasisBijbel
7Ze antwoordden hem: "Waarom zegt u dat? Zoiets zouden we nooit doen!
8Het geld dat we bovenin onze zakken hadden gevonden, hebben we u teruggebracht uit Kanaän. Waarom zouden we dan uit het huis van uw meester zilver of goud stelen?
9Als u bij één van ons de beker vindt, mag u die man doden. En wij zullen allemaal uw slaven worden."
10Toen zei de man: "Dat is goed. De man bij wie we de beker vinden, zal mijn slaaf worden. De anderen mogen vrij vertrekken."
11Ze laadden haastig hun zakken van de ezels en maakten ze open.
12De man doorzocht ze. Hij begon bij de oudste broer en eindigde bij de jongste. Toen werd de beker gevonden in de zak van Benjamin.
13De broers scheurden hun kleren [ als teken van verdriet ]. Ze laadden hun zakken weer op de ezels en gingen terug naar de stad.