Genesis
hoofdstukken 47:2-8
BasisBijbel
2Hij had vijf van zijn broers meegenomen en stelde hen aan de Farao voor.
3De Farao vroeg aan de broers: "Wat is jullie beroep?" Ze antwoordden: "Wij zijn schaapherders, net als onze voorvaders.
4We willen graag als vreemdelingen in uw land komen wonen. Want er is [ in ons eigen land ] geen grasland meer voor onze kudden. Er is een heel zware hongersnood in Kanaän. Mogen we alstublieft in de streek Gosen gaan wonen?"
5De Farao zei tegen Jozef: "Je vader en je broers zijn naar jou toe gekomen.
6Jij mag kiezen waar je hen wil laten wonen. Je mag het beste deel van het land aan hen geven, de streek Gosen. En als je flinke mannen onder hen weet, laat hen dan opzichters over mijn kudden worden."
7Jozef bracht ook zijn vader Jakob naar de Farao en stelde hem aan hem voor. Jakob zegende de Farao.
8De Farao vroeg Jakob: "Hoe oud ben je?"