Genesis
hoofdstukken 50:7-13
BasisBijbel
7Toen ging Jozef op reis om zijn vader te begraven. Alle belangrijke dienaren van het paleis van de Farao gingen mee, en alle leiders van Egypte.
8Ook iedereen die bij Jozef, zijn broers en zijn vader hoorde, ging mee. Alleen de kleine kinderen en het vee lieten ze in Gosen achter.
9Er ging een groot aantal wagens en ruiters mee. Het was een geweldig grote stoet.
10Ze kwamen bij de dorsvloer bij Atad, aan de overkant van de Jordaan. Daar hielden ze een grote, plechtige bijeenkomst. Ze treurden er zeven dagen over zijn vader.
11Toen de Kanaänieten, de bewoners van het land, dat zagen, zeiden ze: "De Egyptenaren moeten wel heel erg verdrietig zijn." Daarom noemden ze die plaats Abel-Mizraïm [ (= 'verdriet van Egypte') ]. Het ligt aan de overkant van de Jordaan.
12Jakobs zonen deden wat hij hun had gevraagd.
13Ze brachten hem naar Kanaän en begroeven hem in de grot bij het veld van Machpela. Die akker ligt tegenover Mamré. Abraham had het van de Hetiet Efron gekocht om een eigen graf te hebben.