Hooglied
hoofdstukken 1:13-17
BasisBijbel
13Mijn liefste is voor mij als een parfum in mijn hals.
14Hij is als een tros hennabloemenuit de wijngaarden van Engedi."
15[ Hij: ] "Wat ben je toch mooi, mijn liefste,wat ben je toch mooi!Je hebt de ogen van een duif."
16[ Zij: ] "Liefste, wat ben je mooi,wat is het heerlijk bij je.Het gras en mos zijn ons bed.
17De cederbomen zijn de balken van ons daken de cipressen zijn de muren van ons huis."