Hosea
hoofdstukken 1:4-10
BasisBijbel
4De Heer zei tegen mij: "Ik wil dat je hem Jizreël [ (= 'God heeft gezaaid') ] noemt. Want binnenkort zal Ik de familie van koning Jehu straffen omdat Jehu zoveel mensen heeft vermoord in Jizreël.
5In die tijd zal Ik in het dal van Jizreël een einde maken aan de macht van het koninkrijk Israël."
6Gomer raakte opnieuw in verwachting en kreeg een dochter. De Heer zei tegen mij: "Ik wil dat je haar Lo-Ruchama noemt [ (= 'geen medelijden') ]. Want Ik zal voortaan geen medelijden meer hebben met het koninkrijk Israël. Ik zal niet meer voor hen zorgen. Ik zal hen gevangen laten meenemen.
7Maar Ik zal wel blijven zorgen voor het koninkrijk Juda. Ik zal hen redden, want Ik ben hun Heer God. Maar Ik zal hen niet redden met behulp van wapens en paarden en ruiters en strijd. [ Ik zal hen Zelf redden. ] "
8Een poos na Lo-Ruchama raakte Gomer weer in verwachting. Ze kreeg een zoon.
9De Heer zei tegen mij: "Je moet hem Lo-Ammi noemen [ (= 'niet mijn volk') ]. Want jullie zijn mijn volk niet meer en Ik ben niet langer jullie God.
10Maar op een dag zal het volk Israël zo ontelbaar zijn als het zand langs de zee. Eerst werden ze 'niet mijn volk' genoemd. Maar op diezelfde plaats waar dat gezegd werd, zullen ze 'kinderen van de levende God' worden genoemd.