Hosea
hoofdstukken 1:7-12
BasisBijbel
7Maar Ik zal wel blijven zorgen voor het koninkrijk Juda. Ik zal hen redden, want Ik ben hun Heer God. Maar Ik zal hen niet redden met behulp van wapens en paarden en ruiters en strijd. [ Ik zal hen Zelf redden. ] "
8Een poos na Lo-Ruchama raakte Gomer weer in verwachting. Ze kreeg een zoon.
9De Heer zei tegen mij: "Je moet hem Lo-Ammi noemen [ (= 'niet mijn volk') ]. Want jullie zijn mijn volk niet meer en Ik ben niet langer jullie God.
10Maar op een dag zal het volk Israël zo ontelbaar zijn als het zand langs de zee. Eerst werden ze 'niet mijn volk' genoemd. Maar op diezelfde plaats waar dat gezegd werd, zullen ze 'kinderen van de levende God' worden genoemd.
11Dan zullen het koninkrijk Juda en het koninkrijk Israël weer samen één volk worden, met één Koning. Ze zullen samen uit het land optrekken en het zal een grote dag zijn voor Jizreël.
12Zeg tegen de mannen: Ammi [ (= 'mijn volk') ], en tegen de vrouwen: Ruchama [ (= 'medelijden') ]."