Jeremia
hoofdstukken 3:2-8
BasisBijbel
2Kijk eens rond naar de heuvels om je heen. Wijs er eens één aan waar je níet met een man geslapen hebt? Langs de kant van de weg zat jij [ als een hoer ] op mannen te wachten, zoals een Arabier in de woestijn reizigers opwacht [ om ze te beroven ]. Je hebt het land bedorven met je ontrouw en je slechtheid.
3Daarom heb Ik het er voor straf niet meer laten regenen. Daarom is de lenteregen niet gevallen. Maar jij loopt rond als een hoer en je weigert je ervoor te schamen.
4Je zegt wel: 'U bent mijn Vader. U heeft altijd van mij gehouden.
5U vergeeft het allemaal wel. U zal vast niet boos blijven.' En intussen doe je steeds ergere dingen."
6In de tijd dat koning Josia [ over Juda ] regeerde, zei de Heer tegen mij: "Heb je gezien wat Wegloopster [ (= Israël) ] gedaan heeft? Ze heeft de gewoonte om op elke hoge berg en onder elke grote boom met mannen naar bed te gaan.
7Toen ze dat allemaal deed, zei Ik: 'Kom alsjeblieft weer bij Mij terug!' Maar ze kwam niet terug. Haar zus Ontrouw [ (= Juda) ] zag dat.
8Ze zag dat Ik Wegloopster, Israël, een echtscheidings-brief gaf en haar daarmee wegstuurde, omdat ze ontrouw aan Mij was geweest. Maar Ik merkte dat Juda zich daardoor niet liet afschrikken. Ook zij ging met andere mannen naar bed.