Job
hoofdstukken 39:16-22
BasisBijbel
16Heb jij de pauwen hun prachtige veren gegeven?Of vleugels aan de ooievaars en struisvogels?
17Een struisvogel legt haar eieren gewoon in de gronden laat het aan het warme zand over om ze uit te broeden.
18Ze vergeet dat iemand ze zou kunnen vertrappenen dat de wilde dieren ze zouden kunnen opeten.
19Ze behandelt haar jongen hard, alsof ze niet van haar zijn.Het maakt haar niet uit als ze voor niets eieren heeft gelegd.
20Want Ik heb haar geen wijsheid gegeven.Ik heb haar nu eenmaal niet verstandig gemaakt.
21Wanneer ze van de grond opstaat,rent ze sneller dan paarden en ruiters en lacht hen uit.
22Kun jij een paard sterk maken?Heb jij de golvende manen op zijn nek laten groeien?