Job
hoofdstukken 39:31-37
BasisBijbel
31Hij woont en slaapt hoog op de rots,op rotsen en bergtoppen.
32Vandaar speurt hij naar eten.Zijn ogen turen in de verte.
33Zijn jongen slurpen bloed.Waar doden liggen, is de arend te vinden.
34En de Heer zei tegen Job:
35Wil jij die alles zo goed weet,de Almachtige God beschuldigen?Antwoord Mij!
36Toen antwoordde Job:
37Ik ben helemaal niemand.Hoe zou ik U kunnen antwoorden?Ik leg mijn hand op mijn mond en zwijg.