Leviticus
hoofdstukken 1:4-10
BasisBijbel
4Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen. Zo zal Ik de man vergeving kunnen geven voor wat hij verkeerd gedaan heeft.
5Daarna moet hij de stier bij Mij slachten bij het altaar dat bij de ingang van de tent van ontmoeting staat. De zonen van Aäron, de priesters, moeten het bloed rondom tegen de zijkanten van het altaar werpen.
6Daarna moet de man de huid van het dier afstropen en het dier in stukken snijden.
7De priester moet hout op het vuur op het altaar leggen.
8Op dat houtvuur moet hij de stukken vlees, de kop en het vet leggen.
9De darmen en de poten moet hij met water wassen. Daarna moet de priester die op de andere stukken leggen en dan alles op het altaar verbranden. Als hij het zó doet, ben Ik blij met het offer.
10Als hij een schaap of geit wil offeren, moet hij een gezond mannetjes-dier uitzoeken.