Leviticus
hoofdstukken 11:36-42
BasisBijbel
36Maar een bron, of een put waarin water verzameld wordt, blijft rein. Maar als je een onrein dood dier aanraakt, word je onrein.
37En als een onrein dood dier valt op zaad dat gezaaid moet worden, dan blijft dat zaad rein.
38Maar als er water op dat zaad gedaan is en er valt een onrein dood dier op, dan is het onrein voor jullie.
39Als een dier van je vee doodgaat, dan is iedereen die dat dode dier aanraakt tot de avond onrein.
40En als iemand van het dode dier eet, moet hij zijn kleren wassen en is hij tot de avond onrein. Als iemand het dode dier opraapt, moet hij zijn kleren wassen en is hij tot de avond onrein.
41Alle kruipende dieren zijn walgelijk. Jullie mogen ze niet eten.
42Alle dieren die op hun buik kruipen, op vier pootjes lopen of op meer pootjes rondkruipen, mogen jullie niet eten. Want ze zijn walgelijk.