Leviticus
hoofdstukken 13:36-42
BasisBijbel
36Als hij ziet dat de uitslag zich over zijn huid heeft verspreid, dan hoeft de priester niet naar het gele haar te zoeken: hij weet al dat de man onrein is.
37Maar als de uitslag, voor zo ver hij kan zien, hetzelfde is gebleven en er groeit zwart haar op, dan is de uitslag genezen. De priester zal hem zeggen dat hij rein is.
38Als iemand lichte plekken op zijn huid heeft, witte plekken, moet de priester ernaar kijken.
39Als hij ziet dat op de huid doffe, witte plekken zitten, dan is het gewone uitslag die in de huid ontstaan is. Hij is rein.
40Als iemands hoofd kaal wordt, heeft hij gewoon een kaal hoofd. Hij is rein.
41Als iemands voorhoofd kaal wordt, dan is hij gewoon kaal van voren. Hij is rein.
42Maar als op de kale kruin of op het kale voorhoofd een roodachtig-witte, zieke plek zit, dan is het een besmettelijke huidziekte.