Leviticus
hoofdstukken 13:38-44
BasisBijbel
38Als iemand lichte plekken op zijn huid heeft, witte plekken, moet de priester ernaar kijken.
39Als hij ziet dat op de huid doffe, witte plekken zitten, dan is het gewone uitslag die in de huid ontstaan is. Hij is rein.
40Als iemands hoofd kaal wordt, heeft hij gewoon een kaal hoofd. Hij is rein.
41Als iemands voorhoofd kaal wordt, dan is hij gewoon kaal van voren. Hij is rein.
42Maar als op de kale kruin of op het kale voorhoofd een roodachtig-witte, zieke plek zit, dan is het een besmettelijke huidziekte.
43De priester moet hem bekijken. Als hij dan ziet dat de zwelling van de zieke plek roodachtig-wit is, zoals bij een besmettelijke huidziekte ergens anders op het lichaam,
44dan heeft hij een besmettelijke huidziekte. De priester zal hem zeggen dat hij onrein is. Zijn hoofd heeft een besmettelijke huidziekte.