Leviticus
hoofdstukken 24:9-15
BasisBijbel
9Deze heilige broden zijn voor Aäron en zijn zonen. Ze moeten ze op de heilige plaats opeten, want ze zijn heel erg heilig. Want deze broden zijn één van de vuur-offers van de Heer. Dit is een eeuwige wet."
10In het tentenkamp woonde een man die de zoon was van een Israëlitische vrouw (Selomit, de dochter van Dibri uit de stam van Dan) en een Egyptische man. Op een keer kreeg de zoon van Selomit ruzie met een Israëlitische man.
11Hij begon te vloeken en zei beledigende dingen over de Heer. Hij werd naar Mozes gebracht.
12Die liet hem gevangen zetten. Toen ging hij aan de Heer vragen wat hij met de man moest doen.
13De Heer zei tegen Mozes:
14"Breng de man die gevloekt heeft, het tentenkamp uit. Iedereen die hem heeft horen vloeken, moet zijn handen op het hoofd van de man leggen. Daarna moet het hele volk hem met stenen doodgooien.
15En zeg tegen de Israëlieten dat iedereen die vloekt en zijn God beledigt, gestraft zal worden.