Leviticus
hoofdstukken 3:1-7
BasisBijbel
1[ De Heer zei tegen Mozes: ] "Als iemand Mij een offer wil brengen om Mij te danken, mag hij een koe of een stier offeren. Hij moet een gezond dier bij Mij brengen.
2Hij moet zijn hand op de kop van het dier leggen en het dier slachten bij de ingang van de tent van ontmoeting. De priester moet het bloed rondom tegen de zijkanten van het altaar werpen.
3Het vet van het dier moet op het altaar verbrand worden [ maar het vlees mag worden opgegeten ]. Hij moet het vet weghalen dat rond de darmen zit,
4de twee nieren met het vet dat daaraan zit en het vet rond de lever.
5De priester moet dat op het altaar verbranden, op het brand-offer dat op het houtvuur ligt. Als hij het zó doet, ben Ik blij met het offer.
6Als iemand een schaap of geit als dank-offer aan Mij wil offeren, dan moet hij een gezond dier uitkiezen. Het mag een mannetjes-dier of een vrouwtjes-dier zijn.
7Als hij een schaap offert, moet hij het dier bij Mij brengen.