Numeri
hoofdstukken 12:7-13
BasisBijbel
7Maar dat doe Ik niet met mijn dienaar Mozes, want hij is heel trouw in het werk in mijn huis.
8Met hem spreek Ik duidelijk en direct, en niet in raadsels. Hij ziet mijn gestalte. Hoe durven jullie slechte dingen over mijn dienaar Mozes te zeggen?"
9Toen vertrok de Heer weer. Hij was vreselijk boos op hen.
10Toen de wolk weer van boven de tent van ontmoeting was opgestegen, was Mirjam ziek. Haar huid was zo wit als sneeuw, door een ernstige huidziekte. Toen Aäron naar haar keek, zag hij dat ze van top tot teen onder de uitslag zat!
11Toen zei Aäron tegen Mozes: "Mijn heer Mozes, vergeef ons alstublieft wat we hebben gezegd! Wat zijn we dwaas geweest! We hebben verkeerd gedaan.
12Nu is Mirjam net een doodgeboren kind waarvan het vlees al half vergaan is als het geboren wordt! Dit is te erg!"
13Toen riep Mozes tot de Heer: "O God, genees haar alstublieft!"