30 en gij zegt: Indien wij geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte van het bloed der profeten.
31 Gij getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.
32 Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol!
33 Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?
34 Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad,
35 opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar.
36 Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.