1 Samuel
hoofdstukken 13:19-23
BasisBijbel
19In die tijd was er in het hele land Israël geen smid te vinden. Want de Filistijnen hadden gezegd: "De Hebreeën mogen geen zwaarden of speren maken."
20(De Israëlieten moesten naar de Filistijnen gaan om hun maaimes, ploegijzer, bijl of houweel te laten slijpen.
21De andere gereedschappen konden ze zelf slijpen met eenvoudige vijlen.)
22Hierdoor was er bij de mannen van Saul en Jonatan op de dag van de strijd niet één zwaard of speer te vinden. Alleen Saul en zijn zoon Jonatan hadden een zwaard en een speer.
23Een aantal Filistijnen bewaakte de bergpas van Michmas.