1 Samuel
hoofdstukken 14:1-7
BasisBijbel
1Op een dag zei Jonatan tegen zijn schildknaap: "Kom, we steken de bergpas over naar het kamp van de Filistijnen aan de andere kant." Maar hij zei het niet tegen zijn vader.
2Saul was met ongeveer 600 mannen bij de granaatappelboom bij Migron, aan de rand van Gibea.
3Ahia was in die tijd hogepriester. Hij was de zoon van Ahitub, die een broer was van Ikabod, die een zoon was van Pinehas, die een zoon was van Eli, de hogepriester van de Heer in Silo. Niemand wist dat Jonatan was weggegaan.
4Jonatan probeerde de bergpas over te steken naar het kamp van de Filistijnen. In die bergpas was aan beide kanten een rotspiek. De ene werd Bozes genoemd, de andere Sene.
5De ene piek lag aan de noordkant, tegenover Michmas, de andere aan de zuidkant, tegenover Geba.
6Jonatan zei tegen zijn schildknaap: "Kom, we steken over naar het kamp van dat ongelovige volk. Misschien zal de Heer iets voor ons doen. Want de Heer kan net zo goed redding brengen door weinig mannen als door veel mannen."
7Zijn schildknaap antwoordde: "Doe wat u wil. Ik ga met u mee, wat u ook doet."