Exodus
hoofdstukken 2:18-24
BasisBijbel
18Toen ze bij hun vader Rehuël terugkwamen, vroeg hij: "Hoe komt het dat jullie vandaag zo snel terug zijn?"
19Ze antwoordden: "Een Egyptenaar kwam ons helpen toen de herders ons wilden wegjagen. Hij heeft ook water voor ons geschept en de kudden te drinken gegeven."
20Hij zei tegen zijn dochters: "En waar is hij nu? Waarom hebben jullie die man daar achtergelaten? Ga hem uitnodigen voor het eten!"
21Mozes bleef bij hem wonen. Hij trouwde met zijn dochter Zippora.
22Ze raakte in verwachting en kreeg een zoon. Hij noemde hem Gersom [ (= 'vreemdeling') ]. "Want," zei hij, "ik ben een vreemdeling geworden in een ver land."
23Na lange tijd stierf de Farao van Egypte. De Israëlieten leden nog steeds onder het zware slavenwerk dat ze moesten doen. Ze schreeuwden het uit tot God.
24God hoorde het. Hij was zijn verbond met Abraham, Izaäk en Jakob niet vergeten.