Exodus
hoofdstukken 21:27-33
BasisBijbel
27En als hij een tand van zijn slaaf (of van zijn slavin) uitslaat, moet hij hem vanwege die tand vrijlaten.
28Als een stier een man of een vrouw met zijn horens stoot, zodat de man of vrouw sterft, moet die stier met stenen doodgegooid worden. Het vlees mag niet worden opgegeten. Maar de eigenaar van het dier hoeft niet te worden gestraft.
29Maar stel dat die stier al eens eerder iemand met zijn horens heeft gestoten en de eigenaar was al gewaarschuwd, maar hij heeft dat dier niet bewaakt. Als het dier dán iemand doodt, moeten het dier én de eigenaar met stenen doodgegooid worden.
30Maar als hij [ van de rechters ] een losgeld mag betalen, dan moet hij het volle bedrag betalen als losgeld voor zijn leven.
31Als het dier iemands zoon of dochter doodt, gelden dezelfde regels.
32Maar als het dier iemands slaaf of slavin doodt, moet hij 30 sikkels zilver [ (330 gram, de prijs van een slaaf) ] aan de heer van de slaaf of slavin betalen. En het dier moet met stenen doodgegooid worden.
33Stel dat iemand een put opent of een put graaft en de opening niet afdekt en er valt een koe of een ezel in.