Exodus
hoofdstukken 26:1-7
BasisBijbel
1Maak een tent van tien tentkleden. Weef de tentkleden van blauw, paars en rood draad en fijn linnen. Weef er mooie engelen in.
2Elk tentkleed moet 28 el [ (12½ m) ] lang en 4 el [ (1,8 m) ] breed zijn. Alle tentkleden moeten even groot worden.
3Maak vijf van de tentkleden aan elkaar. Maak ook de andere vijf tentkleden aan elkaar.
4Maak blauwe lussen aan de rand van het laatste kleed van de vijf tentkleden die aan elkaar genaaid zijn. Doe hetzelfde aan de rand van het laatste tentkleed van de andere vijf tentkleden die aan elkaar genaaid zijn.
5Maak zo 50 lussen aan het eind van het ene stel tentkleden en 50 lussen aan het eind van het andere stel tentkleden. Zorg dat de lussen van het ene stel recht tegenover de lussen van het andere stel komen.
6Maak 50 gouden haakjes. Steek ze in de lussen en maak daarmee de tentkleden aan elkaar vast. Zo worden de tentkleden samen één tent.
7Maak ook tentkleden van geitenhaar. Die worden een tent over de [ eerste ] tent. Maak elf tentkleden.