Exodus
hoofdstukken 28:19-25
BasisBijbel
19De derde rij met hyacint, agaat en amethist.
20De vierde rij met turkoois, sardonyx en jaspis. De stenen moeten er met gouden zettingen op vastgezet worden.
21Voor elke zoon van Israël moet er een steen zijn. Dus twaalf stenen, omdat er twaalf namen zijn. In elke steen moet de naam van één van de twaalf stammen uitgesneden worden.
22Maak voor de borsttas twee gevlochten kettinkjes van zuiver goud.
23Maak twee gouden ringen aan de [ bovenste ] twee hoeken van de tas.
24Maak de twee gevlochten gouden kettinkjes aan één kant vast aan de twee gouden ringen.
25Maak de andere kant van de twee gevlochten kettinkjes vast aan de gouden plaatjes. Maak ze vast aan de voorkant van de schouderbanden van het priesterschort.