1 Niemand is zo vermetel, dat hij hem zou durven tergen;wie is het dan, die voor Mij kan standhouden?
2 Wie zou Mij tegemoet treden, die Ik ongedeerd zou laten?Wat onder de ganse hemel is, dat behoort Mij toe.
3 Ik wil niet zwijgen over zijn leden,noch over zijn geweldige kracht en kunstige lichaamsbouw.
4 Wie heeft de zoom van zijn kleed opgelicht?Wie dringt door zijn dubbel pantser heen?
5 Wie heeft de deuren van zijn muil geopend?Rondom zijn tanden is verschrikking.
6 Zijn rug bestaat uit beschermende schilden,aaneengesloten als een nauwpassend zegel.